Dalton-principes in de praktijk:
Vrijheid in gebondenheid
Ineens sta ik een dag voor de groep. Hoe was het ook al weer? Allereerst zijn er de hele dag door afspraken met de orthodontist. Het lijkt wel of elke aankomende puber op straffe van levenslang ongeluk iets aan z´n gebit moet laten doen. En altijd onder schooltijd, want natuurlijk wil de ortho rijk worden, maar wel tussen 9 en 4.
Ik begin met een gedicht. Vooral om er zelf weer in te komen. Zwart Bessie, ‘van uw en mijn leesmoeder’ Annie M. G. Schmidt, blijft een meesterlijk gedicht. Oude bekenden uit groep 4/5 van lang geleden kijken me glimmend aan, zij weten wat er komen gaat. Zwart Bessie wil bij het kippenhok erkenning afdwingen van haar bijzondere statuur: ze is niet zomaar een zwarte kip, ze is een zwarte kip met zwarte spikkels. En ze is tot alles bereid om die erkenning af te dwingen: tot schrik van heel het kippenhok valt ze dood neer. De glimmers in de groep weten dat Zwart Bessie doet alsof ze dood is, maar voor de anderen is dat niet duidelijk en daarom is het uiterst spannend.
Het werkuur start. Op het bord staat SWU, dit betekent Stil Werk Uur en ik word erop gewezen dat het stoplicht op rood moet. Niet snel daarna heerst er echter overal een luidruchtig geroezemoes. Streng doch rechtvaardig vraag ik een ogenblik aandacht. Ik informeer naar de betekenis van stil. En inderdaad: er is maar één uitleg mogelijk, want stil is een ondubbelzinnig begrip. Van alle kanten wordt tegengeworpen dat er veel samenwerkingsopdrachten op de weekplanner staan en dat een paar groepjes een presentatie moeten voorbereiden. De door iedereen aanvaarde conclusie luidt dat dit uur geen SWU maar een WU moet heten. Streng doch rechtvaardig springt het stoplicht op oranje.
Een groepje van vier leerlingen verkiest de gang als werk- en overlegplek in plaats van het klaslokaal. “Wat is jullie opdracht, wie doet wat en waar gaan jullie zitten,” vraag ik vriendelijk. Het wordt me allemaal helder uitgelegd: alle vier weten ze wat hun te doen staat. Tien minuten later kijk ik op de gang. Tot mijn verbazing zie ik één van de vier over de schouder van een ander kind naar het computerscherm staren. Het programma heeft niets met zijn opdracht te maken. Een ander staat wat verveeld vijf meter verderop in een boek te bladeren. Het boek heeft niets met haar opdracht van doen. Streng doch rechtvaardig roep ik het groepje bij elkaar. De twee geven aan dat ze nu even geen taak hebben in het geheel. “Maar zijn jullie dan klaar met jullie opdracht,” vraag ik. “Nee, eigenlijk niet,” luidt ietwat bedremmeld het antwoord. Streng doch rechtvaardig stuur ik ze alle vier terug het lokaal in. Zonder pardon geef ik elk van de vier een individuele taak.
Het is me weer duidelijk hoe belangrijk het is dat een leerkracht zichzelf steeds vragen blijft stellen, kritisch onderzoek doet naar eigen functioneren. Wat moeten deze kinderen leren, zijn mijn opdrachten duidelijk genoeg, kunnen ze aan mijn opdrachten voldoen? Het is me ook weer duidelijk hoe belangrijk het is dat kinderen zich vragen leren stellen. Waarom ging deze opdracht niet goed, hadden we het werk anders moeten organiseren, had iemand echt de leiding moeten nemen, hadden we hulp moeten vragen? Was niet zelfkennis en zelfkritiek het begin van alle wijsheid?
KARIN REEF
