Dalton principes in de praktijk:
Samenwerken
Na een gedegen observatie heeft de leerkracht van een klas uit de middenbouw de tafelgroepjes anders samengesteld. Alle groepjes hebben een nieuwe naam voor zichzelf bedacht: de Paarse Pizza’s, de Zwarte Zeepaardjes of simpelweg de Ballen. Elke groep is nu bezig een poster te maken met daarop een stickerblad. Ruimte voor stickers die je verdient, als jouw groepje het goed doet. Samen ben je verantwoordelijk voor goed werk, goede sfeer, goed gedrag en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Als het stickerblad vol is, krijgt de groep de echte beloning: een half uur spelen op het plein of een half uur knutselen, bijvoorbeeld. Taakspel heet die manier van werken: een methode om het groepsgevoel te versterken.
Dat valt waarachtig niet mee, een poster maken met z’n vieren. Je haalt ze er zo uit: de leiders in de dop, de politici die met een stroom van woorden een ander proberen te overtuigen, de doorgewinterde democraten die alles, maar dan ook alles, in stemming brengen, de rebellen met de even briljante als bizarre ideeën die steeds worden weggestemd, de verongelijkten die in een slachtofferrol duiken, geen potlood meer oppakken en uitgebreid gaan zitten mokken.
Maar soms gaat het wonderwel. Een groepje van vier buigt zich, dicht opeengepakt, over het gekleurde vel. Alle vier zijn ze tegelijk aan het tekenen. Alle vier tekenen ze precies wat ze zelf willen. Alle vier zitten ze te genieten. Een van de meisjes zegt:
“Kijk, dit plekje laten we leeg, want Dylan is ziek. Zielig, hè, maar dan kan hij later zijn tekening maken, want hij hoort bij ons.”
In een bovenbouwgroep staan op de planner twee maatjestaken: werk om samen te doen. Prachtig gestileerde naamkaartjes hangen in twee rijen naast elkaar. Elke week schuift één rij een plaats op. Zo krijg je telkens nieuwe tweetallen. Je ziet meteen wie deze week je maatje is. Dé manier om alle kinderen uit je klas te leren kennen.
Een jongen kijkt bedenkelijk naar de naam op het kaartje naast dat van hem. Hij slaakt een diepe zucht:
“Dat zal me wat worden.”
’s Middags zie ik hem terug in de gang. Hij is in diepgaand overleg verwikkeld met zijn nieuwe partner. Tot nu toe lijkt het alles mee te vallen.
Soms ben je aangewezen op samenwerking om het werk gedaan te krijgen. Maar soms gaat het mis. Dan klinkt er zacht gemopper in de lerarenkamer:
“Met wie heb ik nou eigenlijk koffiedienst?” Of: “Ik dacht dat jij de vaatwasser in zou pakken/aan zou zetten/uit zou ruimen.”
Samen gaat anders dan alleen. Twee meisjes zeulen giechelend een loodzware vuilniszak naar buiten. De container is hoog, de container is heel erg hoog. Ze passen de truc toe van Jonas in de Walvis. Ze zwaaien het onding een paar keer heen en weer. Dan één, twee, drie, in godsnaam… Met een sierlijke boog belandt de vuilniszak net achter de container. Hij ligt in de tuin bovenop het jonge zaaigoed. Nog een geluk dat hij niet uit elkaar is geknald. De meiden lachen zich een ongeluk. Ondertussen zien ze dat ik ze heb gezien. Nog nahikkend van de lach worstelen ze de zak langs het hek naar zich toe. Ze wagen een tweede poging. Eén, twee drie, in godsnaam… Nu komt de vuilniszak keurig in de container terecht.
Ik hoop maar dat de lathyrus het heeft overleefd.
KARIN REEF
