Daltonprincipes in de praktijk:
Beleving, verantwoordelijkheid, vrijheid in gebondenheid, zelfstandigheid

Eerst een meisje, dan een jongen, dan weer een meisje en opnieuw een jongen. De kinderen van groep vijf rennen in een kring door de gymzaal. Soms tik ik in een snel, dan weer in een langzaam ritme op mijn oude, vertrouwde tamboerijn. Alsof ik er een kwartje in gooi, rennen, hinkelen, of stappen ze als reuzen in het ritme mee.
“Eén tik en je gaat zitten, twee tikken en je gaat liggen, drie tikken: op je knieën!”
De hilariteit neemt langzaam toe.
“Als ik nu een harde tik geef, gaan alle meiden met hun benen recht vooruit zitten. De jongens springen er, zonder ook maar iets aan te raken, overheen.”
Ze lachen, wijzen, trekken grimassen van de spanning.
“Als je terug bent op je eigen plek in de kring, gaan de jongens zitten en springen de meiden.”
Intussen gieren de kinderen van het lachen, ze hebben rode konen van opwinding en inspanning.

Ver springen. Alle matten liggen op een rij. In tweetallen springen de kinderen van de ene mat op de andere. De tussenruimte wordt steeds groter. Niemand heeft aanmoediging nodig, grenzen zijn er om te verleggen.

Na een korte uitleg helpt iedereen met het circuit. Vier banken worden met vereende krachten in de breedte neergezet. De touwen komen er tussen te hangen. De matten liggen onder de ringen. De basket gaat omlaag, de basketballen liggen klaar.
Eenderde van de groep oefent het duikelen aan de ringen, eenderde zwaait aan de touwen van bank naar bank, eenderde doet verwoede pogingen de zware basketbal door die torenhoge ring te krijgen.
Ik kom handen en ogen tekort, heb rode konen van opwinding en inspanning.
“Juf, ik heb al twee keer gescoord!”
“Juf, ik kon nooit achterover duikelen, maar nu heb ik ‘m.”
“Juf, mogen de banken verder uit elkaar, we halen het allemaal makkelijk!”

Iedereen heeft stilaan alle oefeningen een paar keer gedaan. Opruimen is een kunst op zich. Ik stel een kort spelletje trefbal in het vooruitzicht. Dat doet wonderen. In een oogwenk is al het materiaal aan kant. Behalve de mat, die wil maar niet aan de muur blijven hangen. Twee, drie keer proberen ze het opnieuw. Dan ontdekken twee meiden dat de reep klittenband, waaraan de mat moet blijven hangen, aan de achterkant van de mat zit.

Hoe simpel ook, altijd weer zet een spelletje trefbal de kinderen treffend neer: de branieschopper en de stille afwezige, de aalgladde duiker en de houten klaas, de spelmaker en de spelbreker, de “laat mij maar even” en de “nee, ik hoef niet”, de goede en de slechte verliezer, de “ik ben af, juf” en de “ik ben wel af, maar de juf heeft het lekker toch niet gezien”, het haantje de voorste en de kip ik heb je.

KARIN REEF

Karin \'Kaatje\' Reef