Daltonprincipes in de praktijk:
Beleving

Veertien leerlingen uit verschillende groepen zitten klaar in een hoekje van de schooltuin. Ze kijken verbaasd om zich heen. “Er is flink gesnoeid, zeg, de zon schijnt nu zelfs hier,” roept iemand. Een beroepshovenier heeft in twee dagen licht en lucht gebracht in de tuin.

Meer dan twintig jaar geleden is een grauwe tegelwoestijn, waar op brommers werd gecrost, waar met buksen werd geschoten, waar voornamelijk herrie en overlast werden geproduceerd, veranderd in een pracht van een schooltuin. De kleuters hebben, als echte kabouters, één voor één honderden tegels afgevoerd in hun kleine kruiwagentjes. Daarna is met man en macht gewerkt: de woestijn ging bloeien als een roos.
Een ontdekkingsparadijs. Wortels, radijzen en aardappelen groeien onder de grond. Peterselie en selderie kun je zomaar eten. Lavendel en tijm ruiken heerlijk. Als je maggi tussen je vingers wrijft, ruik je de soep. Luizen eten de blaadjes van de planten op, lieveheersbeestjes eten luizen, die moet je dus niet in een glazen potje doen. Als een worm op je hand zit, gaat hij na een poosje poepen, dan weet je waar zijn kontje zit. En ook waar zijn mondje zit. In alle bloemblaadjes van de dahlia’s zitten oorkruipers. Jeggg!

Het is de laatste keer dit jaar dat de tuingroep bij elkaar komt. We gaan vandaag nog 200 bollen in de grond stoppen.
“Je graaft een gat met een rechte zijkant van zestig centimeter breed en vijftien centimeter diep.” De kinderen nemen de afstand tussen mijn handen over. “Dan schep je twee centimeter potgrond onder in de kuil. Daar zet je mooi verspreid tien bollen in met het puntje omhoog en de platte kant onder. Daarna bedek je de bollen voorzichtig met grond tot de kuil vol is.” Ze gaan meteen aan de slag: ze graven, steken af, meten, strooien met grond, bewonderen de verschillende bollen en dekken ze liefdevol toe. In het voorjaar zal er een minibollenveld in bloei staan.

“Wat heb je nu geleerd in de tuingroep?”
“Ik weet nu hoe je bloembollen moet poten.”
“Ik heb geleerd dat je hard moet werken in een tuin, het groeit allemaal niet vanzelf.”
“Ik heb in deze vijf lessen eigenlijk niet zo veel nieuws geleerd, ik ben hier al voor de vierde keer, want ik houd van de tuin.”
“Ik weet nu pas wat samenwerken is. Je kunt een kruiwagen vol onkruid echt niet alleen in de container legen!”
“Ik weet nu dat een tuin vol dieren zit: pissebedden, langpoten, torren, wormen, lieveheersbeestjes, spinnen, vliegjes, bijen, wespen, vlinders…”
“Ik weet nu dat onkruid met wortel en al de grond uit moet, anders staat het er na een week weer.”
Een van de jongens zit met het wonder van drie aardappelen in zijn hand. De aardappels zijn al weken geleden gerooid. “Zelfs als je niet naar iets op zoek bent, kun je toch zomaar iets vinden.”

De laatste blauwe druiven van dit seizoen zijn geplukt. Ieder krijgt een trosje mee. Ze zijn op voor de kinderen thuis zijn.

KARIN REEF

Karin \'Kaatje\' Reef