Daltonprincipes in de praktijk:
Zelfstandigheid
Geblinddoekt, ze zien geen hand voor ogen, schuifelen zeven kinderen met de handen op elkaars schouders, voetje voor voetje over de bosweg. De juf leidt ze behoedzaam naar de geheime startplek:
“Kijk uit…, voorzichtig…!” Ze lopen rakelings langs een verzonnen riviertje of om een bedachte waterput heen. Ze giechelen zenuwachtig en zijn in een oogwenk hun richtingsgevoel kwijt.
De helden van groep acht starten met hun schoolkamp, hun laatste, zonder ook maar enig idee te hebben waar ze nu eigenlijk zijn.
“De blinddoeken mogen af.” Ze krijgen een foto van het prachtige jachthuis van Prins Hendrik. “Je moet naar dit huis toe, kijk maar hoe je er komt, je moet die kant op.”
Als wij als leerkrachten al lang en breed op het terras zitten, zien we de eerste groep aankomen. Toch een beetje opgelucht. Na een half uur is iedereen binnen.
De prachtige kamers worden in bezit genomen: “Het lijkt wel een hotel…!”Zelf je bed opmaken, is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Het bed van de één is een onafzienbaar heuvellandschap, de ander strijkt alle plooien in het kraakheldere onderlaken glad, een derde heeft zich volkomen verstrikt in zijn dekbedovertrek.
Al snel is iedereen buiten. Pubers en prepubers: tussen servet en tafellaken. Ze scheuren met skelters over het terrein, hangen met zijn zessen op de wip, of laten zich eindeloos wiegen op een schommel. Prille geliefden zoeken de bosrand op, een hevig aan elkaar verknocht groepje zit eindeloos te kletsen aan de picknicktafel.
In het bos verstoppen zich die middag twaalf leerkrachten. Ze verkleden zich als antihelden: superman met vliegangst, Ali Baba die zijn veertig rovers kwijt is, James Blond zonder Blondmeisje. De kinderen worden in groepen verdeeld. Elke groep vertelt aan de leiding wie ze allemaal in het bos gevonden hebben en wat er fout aan is.
Iedere leerling heeft een heldenpas. De held van de dag, of de heldengroep van de dag, krijgt op een plechtig moment de diamantsticker uitgereikt: een meisje dat onvermoeibaar helpt bij allerhande klusjes, een tweetal dat zelf hun probleem oplost, een groep die uit de kunst samenwerkt of een jongen die veel meer durft dan hij zelf had gedacht.
Na het uitgebreide driegangen diner wordt het grasveld vol gezet met schitterend aangeklede en geschminkte, levende maar bewegingloze beelden. Uit elke groep vertelt een van de kinderen het verhaal van hun held. Ontroerende, bizarre, fantastische zelfverzonnen verhalen: een jongen zit in kleermakerszit op tafel, zijn handen in een kommetje. Het verhaal gaat dat hij water schenkt aan een arm volk.
’s Avonds bij het kampvuur voelen we een warme saamhorigheid. Het verhaal van de reus Goliath, die met een steen en een slinger verslagen wordt door de herdersjongen David, wordt in stilte beleefd. Daarna roosteren we marshmallows.
De tweede dag zit vol actie en sportiviteit. Drie uit de kluiten gewassen sportleiders laten drie groepen kinderen boogschieten, een touwbrug construeren en vlotten bouwen. Van zulke mannen kun je als eeuwig moederende juf nog wat leren: als er een jongen van het vlot in het water kukelt en angstig om hulp roept, krijgt hij alleen maar te horen: “Kun je zwemmen? Ja? Nou, zwem dan maar naar de kant en klim uit het water.”
Als de jongen druipend op de graswal kruipt, breekt een brede glimlach door. Hij is met recht de held van de dag.
KARIN REEF
