Daltonprincipes in de praktijk:
Vrijheid in gebondenheid
Alle kinderen geven me een hand als ze het lokaal binnenkomen. Even een korte mededeling, een pijntje, iets zieligs, iets geinigs. Om half negen gaat de deur dicht, dan zijn we onder elkaar. Het programma voor de dag staat op het bord, we kijken het samen door.
Ik lees hardop en langzaam het gedicht van de dag. Het is voor velen onbegrijpelijk, grote vraagtekens op de gezichten. Ik lees het nog eens voor.
vandaag gaat de spellingsles over interpunctie punten en komma’s vraagtekens en uitroeptekens zo meteen ga je stillezen let daar dan eens op straks mogen een aantal kinderen een alinea voorlezen voor de klas als ze het goed doen kunnen jullie de leestekens horen
De groep leest, er heerst een diepe rust. Maar een van de meisjes is nu niet in staat om te lezen. Ze heeft een gedicht in haar hoofd, dat moet nu echt eerst opgeschreven worden, anders is ze het straks kwijt.
drie leerlingen lezen een stukje voor de groep luistert naar de lange en de korte rusten de vraagzinnen en de uitroepen een van de kinderen wil voorlezen op de stoel van de juf ze leest prachtig voor applaus er zijn nog acht andere voorleesgegadigden zij krijgen in de loop van de dag een kans tijdens de spellingsinstructie spelen we het spel zoek een naam een land en een plaats met een b ja dat schrijf je allemaal met een hoofdletter bert belgie bussum zijn al gauw gevonden
Het eerste werkuur verloopt in stilte. Iedereen pakt zijn rekenen, taal of spelling. De time-timer staat op vijfenveertig minuten. De meeste daltonblokjes liggen met de rode cirkel naar boven op tafel; de kinderen wensen niet gestoord te worden. Een vijftal leerlingen schuift als vanzelf bij mij aan aan de instructietafel, ze krijgen extra spellingsbegeleiding op fluistertoon.
Na een kwartier ga ik de klas rond. Er liggen nu vier blokjes met het vraagteken naar boven. De kinderen hebben hun vraag bewaard en zijn iets anders gaan doen, iets wat ze wel kunnen. Ze stellen hun vraag als ik bij ze ben.
Als de time-timer bijna ‘op’ is, ruimen de eerste leerlingen hun spullen zachtjes op. Klokslag vijf over tien zit iedereen in de kring. Daar komt geen juf aan te pas. Nog twee korte voorleessessies met hoorbare leestekens en dan naar buiten.
Nieuws uit de Natuur kijken we in het multimedialokaal. Het programma gaat over aerodynamica. Terug in de klas lopen de gesprekken hoog op. Bobsleeën, stroomlijnen, auto’s, het verschil tussen een eend en een jaguar. Als ik niet oppas, gaat de hele dag op aan zulke gesprekken. Goed zo’n dagprogramma, moet ik me net zo goed aan houden.
Tijdens het tweede werkuur kunnen kinderen verder werken aan hun planner, een samenwerkingsopdracht doen of een keuzetaak: een spelletje uit de kast, een verhaal schrijven, of een knutselopdracht afmaken. Onder één voorwaarde: Jouw herrie mag een ander niet storen.
Ik heb tijd voor individuele hulp: de een krijgt een zetje, een ander hulp bij het kiezen, een derde heeft behoefte aan een grotere uitdaging.
Tijdens het eten zit ik op mijn eigen juffenstoel en lees voor. Marietje Appelgat van Lydia Rood is af en toe zo’n misselijkmakend smerig boek dat hier en daar een kind even stopt met het wegwerken van zijn boterham.
KARIN REEF
