Daltonprincipes in de praktijk:
Zelfstandigheid/samenwerken

Ik heb de opdracht om aan de hand van een observatieformulier in een kleuterklas te gaan kijken naar zelfstandigheid en samenwerken. De kleuters zijn aan het bouwen met plastic bakjes, pillenbuisjes en piepschuim. Dat is nog helemaal niet eenvoudig, trouwens. De bouwsels van twee jongens vallen keer op keer in duigen.
“Lijm ertussen, aandrukken en twintig tellen vasthouden,” geef ik ongevraagd advies.

“Mag ik je wat vragen?”
Het jongetje naast me zucht, hij kijkt me aan alsof hij het eigenlijk veel te druk heeft.
“Jawel, antwoordt hij, “maar eerst zet ik even mijn werk op de verwarming. Het moet drogen, weet je.”
Dan staat hij op, manoeuvreert het wiebelige bouwsel met ware doodsverachting langs twee meisjes, die onverstoorbaar aan het spelen zijn in de poppenhoek en brengt het voorzichtig in veiligheid.
“Sorry, nog even wachten,” laat hij me in het voorbijgaan weten, “ik moet mijn tafel nog opruimen en schoonmaken, dan kom ik.”
De resten kosteloos materiaal gaan in de kosteloos materiaalbak. Lijm en schaar brengt hij op de lijm en schaarplek. Dan maakt hij zonder noemenswaardig te knoeien een doekje nat. Hij haalt het net zolang over zijn tafel tot die schoon is.
“Zo, daar ben ik dan. Weet je, mijn opa heeft zijn enkels gebroken. Hij ligt in het ziekenhuis. Voor hem heb ik dat beeld gemaakt.”
“Ach, wat vervelend voor je opa, maar dat beeld zal hij leuk vinden… Wat ik vragen wilde, kun jij me vertellen waar die grijze kast daar voor dient?”
Met een superieure glimlach kijkt hij me aan.
“De grijze kast? Maar dat weet toch iedereen. Dat is onze takentoren. Daar kiezen we ons werk uit. Kijk maar, onze naambordjes zitten erop en dan kun je aan de gang.”
Ik krijg ook nog uitleg over de dagen van de week, de dagkleuren en de klok met de kleurschijf die time-timer heet.

Ondertussen gaat de juf buiten met een groepje leerlingen pindaslingers ophangen. Ze vertelt de achterblijvers wat ze gaat doen en dat die haar zo meteen op het plein kunnen zien. Een aantal kinderen neemt al vast plaats in de brede vensterbank. Kijken naar het ophangen van pindaslingers is immers net zo spannend als het zelf doen. Anderen gaan verbeten door met hun werk.

In een andere kleuterklas nestel ik me in een groepje. Het keuvelt en het leert. De kleuters hebben allemaal een blad voor zich. In het midden van de tafel staat een grote pot kleurpotloden. De kinderen verbinden cijfers met elkaar en tot hun grote verrassing hebben ze dan plotsklaps een pinguïn getekend.
“Kennen jullie die cijfers dan allemaal al?”
Ze giechelen, natuurlijk kennen ze de cijfers. Spontaan tellen ze van 1 tot 20.
“Toch klopt het niet helemaal, ”zegt een meisje, “eigenlijk moet je bij 0 beginnen.”
“Waar zou die 0 dan moeten?”
“Nou hier, voor de 1.”
“Maar,” gaat het wicht van vijf door, “dan kan het nog verder, hoor, want je hebt ook -1 en -2 en zo maar door.”
“Hoe weet je dat?”
“Nou, bij ons thuis hangt zo’n ding in de tuin en vannacht was het heel koud en toen stond het op -3.”

KARIN REEF

Karin \'Kaatje\' Reef