Daltonprincipes in de praktijk:
Beleving

Vijfentwintig kinderen dalen met nieuwsgierige gezichten de trap af. Je ziet ze, maar je hoort ze niet. Ze zijn duidelijk op weg naar iets, iets onbekends, iets verrassends. Voor de openstaande deur van een van de kleuterklassen houden ze halt. Ze kijken elkaar aan: het zal ze benieuwen. Binnen in het lokaal staan de tafels in een halve cirkel. Op die tafels moeten ze gaan zitten. De kleuters zelf zitten op hun stoeltjes in een kring en kijken met grote ogen naar die reuzen van kinderen. Het is nu nog haast niet te geloven, maar als het even mee zit, zullen zij ook zo groot worden. Ooit.
Op een prominente plek in het midden van het lokaal staat een heuse brievenbus van heus staal met een heuse klep. Het hoofd van een van de kleuters steekt er net boven uit. De anderen hebben allemaal een heuse brief in de hand. De stoere kleuter die naast de brievenbus staat, voor de duivel en zeker voor de reuzen uit groep zes niet bang, begint te praten. Luid, duidelijk en uit zijn hoofd draagt hij voor:

“Er was er ‘ns een brievenbus die op een pleintje stond.
Een mooie, rooie brievenbus, hij had een open mond.”

De kleuter achter de brievenbus wordt zelf helemaal brievenbus, de klep gaat open. Een stuk of wat kinderen uit groep zes schuiven naar de rand van de tafel, bij een enkeling valt ongemerkt de mond open.

“Daar gingen alle brieven in, de hele dag maar door…”

Een aantal kleuters staat op. Met een verlegen glimlach stoppen ze hun brief in de bus. Als ze weer op hun stoel zitten, vervolgt de jongen:

“En nu en dan kwam er een man van ’t grote postkantoor.
Die haalde dan de brieven uit de brievenbus z’n buik.
En deed ze in een grote zak, o jongens ’t ging zo puik.”

En ja hoor, daar staat een kleine, grote man van ’t postkantoor en haalt met een ernstig gezicht vol vakmanschap de bus leeg. Stralend kijkt hij om naar het publiek, ja zeker, ’t gaat puik.
Maar dan is de brievenbus het zomaar op een dag spuugzat. Met een klap doet hij zijn mond dicht. Het is genoeg geweest. Nu is Annie M.G. Schmidt op haar best, dit is haar wel toevertrouwd. De brievenbus gooit de kop in de wind, de kont tegen de krib, heeft maling aan alles en iedereen. En natuurlijk, de hoge piet, de directeur zelf, zal het wel even fiksen met z’n hamer, z’n beitel en z’n boor. Maar niks hoor.

“Maar wat hij ook probeerde ’t hielp allemaal geen steek,
de brievenbus bleef dicht en werd alleen een beetje bleek.”

De reuzen van groep zes zitten te glunderen op hun tafels. Zo kennen ze de wereld, er is heel iemand anders voor nodig om die brievenbus open te krijgen.

“Maar toen kwam kleine Peter en die zei: o, alsjeblief,
Doe nou je mond eens open brievenbus want ik heb zo’n mooie brief.”

Als de brievenbus, rood van schaamte, dan eindelijk zijn mond wijd open doet, dansen alle kleuters blij om hem heen.

“… en al die mensen zeien:
je bent de allerbeste brievenbus van heel de posterijen!”

KARIN REEF

Karin \'Kaatje\' Reef